STRAFKAMP
PORT NATAL 1944-1945

CONTACT

HET STRAFKAMP

GEBOUW

In 1920 wordt op de plek van een landhuis met een parkachtige tuin, vanaf 1905 al Port Natal genoemd, een psychiatrisch ziekenhuis gebouwd die dezelfde naam draagt. Dat gebeurde in opdracht van de toenmalige Vereniging van Nederlands Hervormde Stichtingen voor Zenuw- en Geestesziekten. Port Natal was een psychiatrisch sanatorium waar ongeveer tachtig mensen konden worden verpleegd. Het sanatorium werkte veel samen met Stichting Licht en Kracht. Het gebouw bestond uit een hoog middengedeelte met torentje waar de behandelruimten waren. In de beide vleugels van het symmetrische gebouw woonden de patiënten en in de nog wat lagere uitbouwen aan beide zijden was de “isoleer”. Met elkaar een gevel van zo’n tachtig meter.

Eind 1942 werd het gebouw door de Duitse bezetter gevorderd en moest er plaats gemaakt worden voor ongeveer vijfhonderd Duitse bejaarden, die uit het zwaar gebombardeerde Bremen geëvacueerd werden. In 1944 werd het gebouw opgeëist, nu door de Organisation Todt om huisvesting te bieden aan gestrafte en niet-gestrafte O.T.-arbeiders. In de omgang sprak men daarom wel van een “strafkolonne” en een “arbeidskolonne”. Deze twee groepen zaten in gescheiden vleugels op de zolderverdieping. De ruimte bestaat uit een grote open zolder en een aantal kleinere kamers. Op de andere verdiepingen waren Russische krijgsgevangenen ondergebracht. Naarmate het einde van het oorlogsjaar 1944 naderde werden de niet-gestraften meer en meer buiten Port Natal bij particulieren en in scholen ondergebracht en kreeg Port Natal uitdrukkelijker het karakter van een strafkamp. In 1987 is het gebouw gesloopt om plaats te maken voor het Wilhelminaziekenhuis, dat uit de jas was gegroeid aan de Zuidersingel. Alleen de restanten van de toegangspoort herinneren nog aan Port Natal.

 

STRAFCOLONNE

De strafcolonne was gevestigd op de zolderverdieping van Port Natal en was bestemd voor politiek gevangenen (Polizeihäftlinge) en voor andere gestraften, vaak mannen uit de vrije colonne die voor lichte vergrijpen naar de “Knochensturm”, zoals de Duitsers het noemden, werden gestuurd. De strafcolonne stond onder het commando van de sadistische Josef “Sepp” Aicher. Met Sepp viel niet te spotten, dat wisten de mannen die in het strafkamp kwamen gelijk de eerste dag al. De meesten werden als welkom door Sepp getrakteerd op een flink pak slaag. Sepp had er dan ook al drie jaar tuchthuisstraf opzitten. Hij was Oostenrijker en was voor de oorlog mijnwerker geweest. Hij was een avonturier, had nog in de Spaanse burgeroorlog gevochten. Hij was als NSDAP-er een idealist en als strafkampleider een machtswellusteling, die grove geestigheden gepaard liet gaan met een geweld aan dreigementen, aldus Anne Hacquebord.

 

Hij liet het niet bij dreigementen, hij takelde spitters op meedogenloze wijze toe, waarvan de 100 tot 200 kniebuigingen een berucht en gevreesd onderdeel vormden. Sepp werd de bruine duivel genoemd. Niet voor niets werd Port Natal door de gevangenen Port Satan genoemd. Sepp is nooit veroordeeld voor zijn daden, het verhaal gaat dat hij op 9 of 10 april zelfmoord heeft gepleegd bij het naderen van de geallieerde troepen. Hij wordt persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor vier moorden. Wie dit zijn geweest en de omstandigheden rond zijn dood wordt door mij nog nader onderzocht.

Naast Sepp bestond de leiding ook uit een aantal andere Duitse militairen waaronder Max, Gottfried, Erich en Walter. Oskar was plaatsvervangend commandant en een stuk gematigder dan Sepp. Er waren vervolgens 20 Nederlandse bewakers, die mee naar het veld gingen of die speciale bewakingsdiensten hadden, zoals de ziekenploeg. Veel van deze bewakers hadden een slechte naam en werden als verraders beschouwd. Een deel van hen bestond uit S.S.-ers, waarvan enkele in de binnendienst werkzaam waren, o.a. “der Rudi” (Balten) en “der Willy” (Aantjes). Er waren twee “Willy’s”, een zwarte (Willem van der Steenhoven) en een gele (Willem Aantjes), naar de kleur van hun uniform. Aantjes heeft tot aan de bevrijding deel uitgemaakt van de strafcolonne. Naar het schijnt heeft hij aanvankelijk handarbeid verricht; graven aan de stellingbouw, hout hakken en sprokkelen enz. Later is hij tewerkgesteld bij de administratie van de strafcolonne; verdeling van broodrantsoenen, bijhouden van werk- en loonstaten en als assistent van de administrateur. Ook werd hij aangewezen voor bewakingsdiensten.

 

Het geheel van de Westwallbau stond onder het gezag van Willi Blomquist, leider van “Oberabschnitt Nord” die zijn zetel had in Assen. “Stutzpunktführer” was Gerlach.

 

ARBEID

Door de tewerkgestelden moest er gewerkt worden aan de uitbreiding van de IJssellinie, een stelsel van verdedigingslinies die een uitbreiding vormden op de Westwall. Rond Assen werd een verdedigingsring gebouwd bestaande uit tankgrachten, loopgraven met mitrailleursnesten, bunkers en mangaten. Er moest door de tewerkgestelden veel graafwerk worden verricht, er waren heistellingen en er was een aparte houtploeg die bomen moesten kappen waarvan het hout werd gebruikt om de loopgraven mee te versterken. Het werken in de houtploeg was zwaar, omdat er vaak met bomen moest worden gesjouwd door modderige ondergrond.

Omdat het werk plaats vond in de herfst en strenge winter van 1944 en 1945 was het in de herfst erg nat, de mannen raakten snel verkleumd en er was ‘s avonds niet voldoende gelegenheid om de kleren te drogen. In de winter was het vaak onmogelijk om in de grond te komen en de arbeiders maakten daar slim gebruik van door opzettelijk de pikhouwelen te breken op de bevroren grond waardoor ze niet verder konden werken. De gevangenen van Port Natal werkten voornamelijk in het ‘veld van Loon’. Dit was een stuk land ten noorden van de spoorlijn en ten oosten van wat nu de Industrieweg is. Dagelijks marcheerde de strafploeg de vier kilometer naar dit veld. Maar ook op andere plaatsen werd gewerkt. Vaak was de grond te nat waardoor de loopgraven niet ondergronds, maar bovengronds worden gebouwd. Dit gebeurde met graszoden, de ene groep stak de zoden af waarna ze via de schep werden doorgegeven aan de ploeg die ze opstapelde. Omdat er niet genoeg schoppen waren, gebeurde dit ook vaak met de hand.

 

OMSTANDIGHEDEN

Het was niet voor niks dat Port Natal werd omgedoopt tot Port Satan. De mannen sliepen op de vochtige zolder in vervuild stro, waardoor het een broedplaats was voor luizen. Af en toe ging een groep mannen naar het ziekenhuis in Groningen om ontluisd te worden. Het resultaat was echter maar van korte duur.

Stoelen, tafels en banken ontbraken. Gelegenheid om te douchen was er niet. In een goor waslokaal wasten ze zich zo goed en kwaad als het kon, met achter hun hele rijen , die om hun beurt stonden te dringen. Er was maar één toilet beschikbaar voor 160 man, die bijna altijd verstopt was. Voor het toilet staat altijd een lange rij. Als men aan de beurt was kon men er geen seconde langer blijven dan nodig was. Overdag, tijdens het werk, moest men op het veld de nood ledigen. Omdat de spitters altijd in het zicht moesten blijven van de bewakers was er van enige privacy geen sprake.

Door de slechte hygiënische omstandigheden kwam er veel difteritis en schurft voor. Men moet wel doodziek zijn om naar de Sanitäter te mogen. Toestemming hiervoor moet worden gevraagd aan Sepp, wat velen een klap in het gezicht oplevert. De Sanitäter is echter de beroerdste niet. De zwaar zieken worden overgebracht naar het Wilhelmina ziekenhuis. Voor Anne Hacquebord was dat een kans om te ontvluchten. Veel arbeiders kwamen tijdens of na de oorlog ziek thuis waarvan er enkelen binnen enkele jaren zijn overleden of de gevolgen ervan een leven lang met zich mee hebben gedragen. Dit zijn de stille slachtoffers van strafkamp Port Natal.

 

STRAFBUNKER

De honderden kniebuigingen die de gevangenen moesten maken als strafmaatregel waren berucht. Het minimale aantal is 100 keer, wat vaak tot 150 of 200 keer werd verzwaard. Vaak moet dit gebeuren met de schop in de hand. Het gebeuren vind plaats bovenop de loopgraaf, zodat iedereen het duidelijk kan zien. Het ziet er soms komisch uit, maar degene die erom moet lachen moet naast het slachtoffer staan en ondergaat dezelfde straf. De gevolgen van deze lijfstraf voelt men een week later nog. Naast deze lijfstraf was er nog een andere strafmaatregel, de strafbunker.

De bunker was niet een echte bunker, maar een donkere kast van 2.10 bij 1.40m. Mensen die iets ‘uitgespookt’ hadden werden hier, na eerst afgetuigd te worden, in gegooid en kwamen op half rantsoen. Veel hoefde men niet uit te spoken om deze straf te ondergaan. Eén gevangene, die geestelijk niet 100% was, liet onder het lopen in de colonne zijn ontlasting lopen en werd om die reden in de bunker gestopt. Hij heeft tot afgrijzen van de andere gevangenen het uitgegild van angst.

 

Het heeft niet veel gescheeld of deze straf had dodelijke slachtoffers geëist. Hendrikus Vlietstra schrijft erover in zijn boek:

Een kleine groep werkt onder leiding van commandant Oscar bij de Loonersluis. Ineens zijn plotseling en ongemerkt er drie personen uit die groep er vandoor gegaan. Sepp is razend als hij dit hoort. Hij geeft bevel dat alle mannen die op dezelfde kamer verblijven als de drie ontsnapten ‘s avonds in de bunker moeten worden opgesloten. Twee SS-wachten gelukt het om ze allemaal naar binnen te persen. Met veel moeite, door met de rug tegen de deur te drukken, weten ze de dertig!!! gevangenen in de benauwde ruimte te krijgen. Stijf opeen gepakt staan ze daar. Een hele poos later merkt een andere Duitse commandant op, dat de gevangenen bevrijd moeten worden, omdat ze anders door zuurstofgebrek zullen stikken. “Het kan mij niet schelen, ook al sterven ze allemaal”, zegt Sepp. Voor de mijnwerker Sepp telt het leven niet van Nederlandse gevangenen. De andere commandant  maakt kort daarna op eigen initiatief de deur open. Het is ook de hoogste tijd, want enkele mannen zijn al bewusteloos. Hoewel op het nippertje, komen ze er toch allemaal nog goed doorheen.

 

ACHTERBLIJVERS

Niet alleen voor de gevangenen was het een zware tijd, ook de achterblijvers hadden het zwaar. Het duurde vaak een paar weken voordat het voor de achterblijvers duidelijk was waar hun vaders of echtgenoten waren ondergebracht en het was helemaal onzeker wanneer ze weer thuis verwacht konden worden. De ‘polizeihäftlinge’ waren niet berecht, dus aan het verblijf in de strafploeg was geen tijd verbonden. Sommigen zaten er maar een aantal weken, sommigen een half jaar. In die tijd probeerden de achterblijvers zo goed en zo kwaad als het lukte om de mannen te voorzien van voedsel, schone kleding en tabak. Voor de mannen die uit de omgeving kwamen ging dat makkelijker dan de mannen die uit de Randstad kwamen. In de strafploeg zat ook een groep Hagenezen die natuurlijk minder vaak pakketten kregen. Over het algemeen werd er wel gedeeld, maar de Hagenezen vormden wel een aparte groep binnen de strafploeg.

 

Al snel werd er door de achterblijvers een heel logistiek systeem opgezet. Er kwam een transport op gang van brieven en pakketten, bodediensten reden wekelijks langs de verschillende dorpen in Drenthe waar spitters waren ondergebracht. De families Schonewille en Troost deden veel om wantoestanden in Port Natal op te heffen en het lot van de gevangenen te verzachten. Bij familie en kennissen verzamelen ze gedragen kleding , sokken en schoenen. In grote pakken bezorgen ze dat in Port Natal. Commandant Sepp vraagt, hoe ze aan deze kleding komen, want “in Duitsland kunnen we zulke goede kleren zelfs niet meer kopen”, aldus Sepp. Hij vertelt, dat hij thuis een zoon heeft van twaalf jaar. De vrouwen geven Sepp de eerste keus voor zijn zoon. Zo hebben ze de commandant van de strafploeg gevangen voor hun actie. Op een avond zorgen Troost en Schonewille, dat via hun vrouwen de hele strafploeg wordt getrakteerd op een flinke portie snert met varkenskluif. Er wordt met graagte van gesmuld. Van velen blijkt de maag niet meer bestand tegen zulke stevige kost (uit Het Huus op de Wieke).

 

Vrouwen fietsen soms honderden kilometers op oude fietsen met cussiebanden om hun vader of echtgenoot pakketjes te kunnen brengen. Omdat ze na spertijd niet op straat mochten komen moest er in Assen een slaapplek worden gevonden, wat niet altijd makkelijk was. De familie Hadderingh, die naast Port Natal woonden boden elke dag weer onderdak aan bezoekers. Dhr. Th. Hadderingh, zoon van de familie vertelde hier later over:”de vele, vrijwel dagelijkse gasten van de veroordeelden van de strafcolonne kan ik me goed herinneren. Soms waren er wel tegen de twintig, die bij ons overnachtten”.

 

DE MOEDER VAN PORT SATAN

Zij werd door de gevangenen  “de moeder van Port Satan” genoemd, mevrouw Zwaantje Hadderingh. Ze woonde met haar man Arend en gezin in een boerderij naast Port Natal. Als Port Natal gevorderd wordt door de Duitsers, zet ze zich samen met haar man in voor de gevangenen. Haar man zat in het verzet en is tot driemaal toe gevangen genomen. Wonderlijk genoeg heeft hij op het nippertje de oorlog overleefd. Mevrouw Hadderingh bracht de gevangenen elke dag een bordje pap. En met elke lepel vol kwam er weer hoop,  de wil om niet ten onder te gaan, aldus Hacquebord. Ze bad ook veel met de jongens, ze sloeg niemand over. Haar rol is van onschatbare waarde geweest. Dat blijkt ook uit de herinneringen van meester C.Benus, hoofd van de Hervormde school in De Krim:

In Port Natal schoven na het werk honderden voeten de trappen weer op, naar het stro, naar vlooien, luizen en schurft. Naar de kamertjes en zolderruimten, waar bij regen geen kans was om doornatte kleding te drogen, dan op het lichaam onder de stro. En wie dan als ‘nieuweling’ vanaf zijn stro in zijn kleine of groter hok luisterde naar het geroezemoezige gedoe, die spitste plots zijn gehoor. Want – wat is er daar op de gang ? Een voetstap van een vrouw? De stem van een moeder? Een bezoekster voor de gevangenen? Doorgedrongen tot de hokken? Hoe kan dat?

Elke dag komt die voetstap de trappen op, te herkennen onder de honderden gevangenenvoeten, die zwaar zijn van machteloos verlangen naar vrijheid. De gekooide jongens en mannen zijn weggerukt uit hun gezinnen, ver van hun Moeders en Vrouwen. Maar deze Moeder is als de afgezante van honderden Moeders! Daar in Port Satan kwam een Moeder! Elke dag! De Moeder van Port Natal! Haar komst, dat was het contact met daarbuiten, met huis, met het leven.

Met het dagelijks bordje pap, dat de Moeder van Port Natal bracht, was meer dan medicijn! Met elke lepel vol fleurde de hoop weer op, de wil, om niet onder te gaan!

Zwaantje Hadderingh overleed op 20 december 1982. In haar overlijdensadvertentie stond het volgende geschreven:

Zij is zevenentachtig jaar geworden. Zij stond altijd klaar voor anderen met een blijmoedigheid die voortkwam uit een eenvoudig en diep geloof in haar Heer en Heiland. In dat geloof is zij na een lang en moeilijk ziekbed in volle vrede gestorven.

 

Dat ze nooit vergeten mag worden…

 

BEVRIJDING

Hoe was het de mannen van het strafkamp vergaan in de laatste dagen voor de bevrijding. Jou Koopmans heeft dit verteld aan Anne Hacquebord, schrijver van Port Natal, Vice Versa:

 

"Aan het verblijf van Port Satan kwam plotseling een einde, toen wij begin april in drie turfschepen met een sleepboot er voor op transport gesteld werden. Het werd een benauwde reis. Onderweg werden we ontdekt door Engelse jagers, die in duikvlucht over onze schepen vlogen; gelukkig werd er niet geschoten. Het was avond toen we met onze drie schepen aankwamen in het zuid Drentse dorp Erica. We werden ingekwartierd inde R.K. school, de Sint Gerardus school. Dit verblijf was van korte duur, slechts een dag. ‘s Avonds in het donker moesten we aantreden. We gingen lopend op transport naar Emmen. Daar werden we opgesloten in de Grote Kerk.

Die nacht waren er veel lichtkogels; de kerk werd er door verlicht. De volgende morgen bij het krieken van de dag bleek, dat onze Duitse bewaking de benen hadden genomen. Alleen de Nederlandse bewakers stonden nog voor de deur. Toen dat bekend was, was de kerk gauw leeg. Ieder vluchtte een kant op. Wij gingen terug richting Erica, maar vonden onderweg een schuilplaats in Zuid Barge. Joute van der Werff en ik kwamen in een kippenhok van boer Ab Katoen. Na één of twee dagen werd Coevorden als eerste stad in Drenthe bevrijd.

 

Onze bagage werd toen op een boerenwagen geladen, waarmee we richting Coevorden gingen. We gingen binnendoor over de weilanden omdat het over de weg niet vertrouwd was. N.B.S.-ers (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) hielden ons op de brug tegen; we mochten de stad niet in. Toen de N.B.S.-ers hoorden wat voor mensen we waren, zochten ze onderdak voor ons allen. Voor ons was dat bij boer Batten, die woonde in een boerderij vlakbij de brug van Coevorden. De volgende dag echter verklaarde boer Batten geen eten meer voor ons in huis te hebben. Dus gingen wij terug naar de brug waar de N.B.S.-ers stonden, mét onze klachten en met onze honger. Dat was evenwel gauw geregeld. In de tijd van een paar minuten was er een jeep vol N.B.S.-ers. Ze sprongen uit de jeep, pakten de volle melkbussen, die aan de kant van de weg klaar stonden voor de melkfabriek en sjouwden ze naar de schuur. “Jongens, dit is voor jullie, drink ze maar leeg”. Op hun vraag of er verder nog wat te eten was, zei de boer nee! Ze stelden toen voor om zélf naar binnen te gaan en naar eten te zoeken. Dat hoefde echter niet, want boer Batten had toen plotseling nog wel wat.

De volgende dag kwamen de N.B.S-ers weer terug en arresteerden de boer en zijn dienstmeisje. Ze bleken lid van de N.S.B. te zijn. Met een oranje strikje op zijn jas werd boer Batten als landverrader afgevoerd! Onze groep mocht die dag bevrijd Coevorden binnen gaan. Na door de politie voorzien te zijn van een bewijsje (we hadden geen persoonsbewijs meer) begon de grote reis naar huis, lopend. Met de Canadese bevrijders voor ons uit kwamen we, ‘s nachts slapend bij boeren, na vier dagen in Cornjum aan. We waren weer thuis en we waren vrij!!!"

 

Aldus het relaas van Jou Koopmans (uit Port Natal Vice Versa)

 

Lees ook de herinneringen van dhr. Visser over de laatste dagen voor de bevrijding.

 

 

AANLEIDING