STRAFKAMP
PORT NATAL 1944-1945

HERINNERINGEN

Hille Couperus

Hille Couperus is bij velen nog wel bekend als de beste kaatser van de Christelijke Friese Kaatsbond. Hij heeft voor de afdeling Tzum vele prijzen in de wacht gesleept.

Het was echter niet de bedoeling om over de sport te praten. Integendeel, het gesprek ging over de Tweede Wereldoorlog. Een onderwerp dat de laatste tijd veel in de media is omdat het dit jaar 60 jaar geleden is dat Nederland werd bevrijd.

 

Hille Couperus is nu 77 jaar. Toen Nederland werd bevrijd was hij dus 17 jaar. Op die jonge leeftijd heeft hij heel wat moeten doorstaan. Hij vertelde mij een verhaal over een razzia die in februari 1945 in Tzum is gehouden en waarbij verschillende mannen uit ons dorp en omgeving door de vijand werden meegenomen.

Steeds meer werd duidelijk dat het laatste oorlogsjaar (1944) voor menigeen een moeilijk jaar werd. Er ontstonden grimmige toestanden. Denk maar aan de hongerwinter, die veel slachtoffers heeft geëist. Het zuiden van ons land was reeds bevrijd, maar na de verloren slag om Arnhem door de Engelsen en Canadezen werden de Duitsers steeds fanatieker. Ze waren er op uit om nog zoveel mogelijk onderduikers en verzetsstrijders op te sporen. Bovendien was er de ‘Arbeitseinsatz’ waarbij iedereen boven de 16 jaar zich moest melden om voor de vijand te werken. Het was een van de redenen dat velen gingen onderduiken. Hille Couperus was in het laatst van december 1944 17 jaar geworden, dus hij zat ook in de gevaarlijke leeftijd.

 

Op zaterdag 3 februari 1945 was een groep Duitse soldaten vanuit Franeker op de fiets met het geweer over de schouder via Tzum richting Wommels getrokken. In Franeker zat namelijk een afdeling van de ‘Grüne Polizei’. De familie Couperus had ze zien fietsen maar had zich niet gerealiseerd dat het om een razzia ging (ze woonden op Fatum, op het adres waar nu de familie Rients en Jellie Bakker wonen, Wommelserweg 74). Zelf hadden ze in de toen nog bestaande hooiberg een schuilplaats gemaakt achter een houten wand welke met pakken hooi en stro was afgedekt.

Hille Couperus zat geregeld met zijn getrouwde oudere broers Jacob en Mollerus in de schuilplaats. Om reden dat het buitenwater zo hoog werd waardoor de schuilplaats ook nat werd, moesten zij de schuilplaats verlaten. Noodgedwongen moesten daardoor de broers naar hun eigen huis en Hille was die avond dus thuis.

 

Die bewuste zaterdagavond kwamen de soldaten uit Wommels terug en brachten o.a. ook een bezoek aan de boerderij van de familie L. H. Westra, Wommelserweg 83. Daarna bezochten ze de familie Couperus op Fatum. Met groot kabaal bonsden ze op de deur: ‘Aufmachen, schnell’. Hille Couperus werd meegenomen. Vader Couperus probeerde nog met boerenboter de soldaten te bewegen om zijn zoon te laten blijven, doch de commandant kende geen pardon. Hij moest met de groep soldaten op een oude damesfiets mee naar Tzum.

Het verzamelpunt was café “de Ster”. Vandaar uit werden ze in Franeker naar het politiebureau aan de Eise Eisingastraat gebracht. Daar moesten ze de bretels van hun broeken afgeven en liepen dus met de broeken ‘op‘e slomp’. Twee nachten zijn ze in Franeker geweest en op maandag 5 februari moesten ze naar het station in Franeker gaan, waar ze op de trein werden gezet naar Leeuwarden. Vanaf het station in Leeuwarden moesten ze lopend naar het Huis van Bewaring, de tegenwoordige Blokhuispoort.

In die gevangenis hebben ze vijf dagen doorgebracht onder erbarmelijke toestanden. De cellen waarin ze werden gedumpt waren bestemd voor 4 personen, doch zij zaten er met 32 man in. Het stonk er verschrikkelijk, want iedereen moest zijn behoefte doen op een ton in de hoek van de cel. Slapen was er dus eigenlijk helemaal niet bij en het eten wat ze kregen bestond uit koolsoep. Een van de medegevangenen was een oudere man wiens zoon een week van te voren was doodgeschoten. Deze man hield elke avond een dagsluiting: hij las een stukje voor en deed een gebed.

 

Hille Couperus had in Leeuwarden een soort plunjezak van thuis ontvangen. Toen hij daarin zag werd het hem op dat moment even teveel. Alleen een moeder voelt wat hij nodig zou kunnen hebben. Men moet zich eens indenken wat het voor de ouders is geweest wanneer een van hun kinderen op deze manier wordt meegenomen. Twee jaar geleden had de familie Couperus reeds een zoon verloren wiens overlijden indirect met de bezetting te maken had.

 

Na 5 dagen werden ze weer op de trein gezet met onbekende bestemming. Hille Couperus zei dat de Duitsers zenuwachtig waren en steeds met hun geweren in de lucht schoten. Zelf dacht de ploeg mannen dat ze naar Duitsland gingen, doch in Groningen moesten ze overstappen in de trein naar Assen. Daar kwam men terecht in het strafwerkkamp Port Natal. De slaapplaatsen waren op zolder. Men lag op stromatrassen.

Elke dag werd er appél gehouden. Daarna ging men in colonnes het veld in om te werken voor de Duitsers. Er moesten graszoden worden gestoken, loopgraven worden gemaakt en éénmansgaten worden gegraven. Het eten wat ze na een lange dag werken kregen was vies en bijna iedere dag hetzelfde. Zo kregen ze ongeschilde aardappelen met boontjes. Dit alles werd vermalen tot puree.

En dat ging zo maar door. Elke ochtend appél, dan de hele dag hard werken en altijd weer dat vieze eten. Geen wonder dat velen daardoor aan de diarree raakten en ziek werden. Zo ook Hille Couperus. Precies op het moment dat zijn zuster Wiep namens het thuisfront op bezoek kwam. Toch was er ook een leuk moment. Bij een tweede bezoek van zuster Wiep en Tjerk Lanting, wiens broer ook was opgepakt, werden de Tzummers verrast met kazen van de Zuivelfabriek uit ons dorp. De directeur van die fabriek, dhr. R. Lubberink had dat allemaal geregeld.

 

Wanneer iemand probeerde te ontvluchten, dan was het voor die persoon niet best. Toch heeft bij Hille Couperus en Gerrit Postma meerdere malen de gedachte gespeeld om te ontvluchten. De stukken kaas zouden daarbij prima als proviand van pas kunnen komen. Een mogelijkheid deed zich voor toen zij op een dag in colonne van Assen naar Kloosterveen richting Smilde moesten om te werken. Er werd met de gedachte gespeeld om zich in de loopgraven te verstoppen en te wachten tot na het appél om daarna weg te vluchten.

Helaas bleek die gelegenheid niet gunstig want de volgende dag namelijk, het was toen eind maart, moesten de mannen alles inpakken en werden ze naar turfschepen gebracht. Zo voeren ze door het Linthorst Homan kanaal in Drente. De Duitsers reden met een aantal overvalwagens op de weg naast het kanaal. Op een gegeven moment kwamen er twee Engelse vliegtuigen die de auto’s van de Duitsers beschoten. Aan boord van de turfschepen brak toen paniek uit.

Hille Couperus vertelde me dat hij uit het schip het bos in vluchtte. Later werd hij echter weer opgepakt en dat heeft hij geweten. Op de vraag van de commandant waarom hij vluchtte antwoordde Hille Couperus dat hij angst had voor de ‘Tommies’, hopende dat dit zijn vlucht legitiem maakte. Helaas werd dit niet geaccepteerd en werd hij op een hardhandige manier door middel van vuistslagen aangepakt en weer teruggeworpen in het schip. Daarna voeren ze richting Erica – Emmen waar ze vervolgens werden overgebracht naar een kerk.

 

Couperus heeft toen in een ouderlingenbank liggen slapen zo goed en zo kwaad als het ging. In die bank lagen kussens die hij gebruikte om zijn hoofd op te leggen.

’s Nachts om vier uur werden ze wakker en tot hun stomme verbazing bemerkten ze dat alle Duitsers waren vertrokken. Ze hadden niets meegenomen en alles achtergelaten. Toen drong het tot hen door dat ze vrij waren. Er viel een enorme druk van hen af.

Lopend zijn ze toen vanaf Emmen richting Wezep gegaan waar zij onderweg bij boeren heerlijk hebben gegeten, namelijk aardappelen met spekjes. Lopend gingen ze dan weer verder huiswaarts. Bij Donkerbroek troffen ze een man die bereid werd gevonden om hen te vervoeren. Het kostte hen f 25,- per man. (de gevangenen hadden met hun werk voor de Duitsers wel geld verdiend. Ze kregen f 5,00 per dag en op zondag kregen ze f 7,50).

In Irnsum aangekomen ging de man niet verder en moesten ze op eigen gelegenheid de weg vervolgen. En wat zagen ze toen aan de horizon: de hoge en vertrouwde Tzummer toren. Het was haast niet te geloven. En wat waren ze blij toen enkele Tzummers hen tegemoet liepen. Vol moed zijn ze lopend verder gegaan.

 

Hille Couperus is op weg naar huis niet door het dorp Tzum gelopen. Hij zag er niet uit en was zo vies en zat onder de luizen. Hij heeft een binnenpad door de landerijen genomen. Op 6 april kwam hij weer op Fatum aan. Blij, emotioneel en heel erg moe.

 

Ik vroeg aan Couperus wat het is geweest om in die dagen van angst en vrees altijd op de been te blijven. Hij vertelde me dat er bij hem, voordat hij werd weggevoerd, reeds een vonkje was overgeslagen van het meisje waar hij later mee is getrouwd. “Dat was mede de hoop waarop ik heb geleefd” zei Hille Couperus.

Tijdens de gevangenschap van Hille Couperus was het Homme Bruinsma (bij velen nog wel bekend) die voor hem een geestelijke vader is geweest zolang hij bij hen in de groep zat. Hij hield altijd een oogje in het zeil. Dat is niet tot het eind zo gebleven omdat hij later is ontsnapt.

 

Dan volgen hier nog de namen van de Tzummers welke op die bewuste avond in februari 1944 werden meegenomen. Dat waren:

Sjouke Faber, Willem Faber, Piet Faber (een zoon van Rouke Faber. Deze is later ontsnapt). Verder nog Jan Droogsma, Wieberen Jorritsma en Siebren Lanting. Deze drie mannen zijn nooit aan het werk geweest omdat ze zich ziek hadden gemeld. Sjoerd Struiksma was in dienst van de voedselvoorziening en mocht eerder naar huis. Dan waren er nog Gerrit Postma, Jan P. Groeneveld, Lieuwe T. Greidanus en Homme Bruinsma. Al deze mannen werden met Hille Couperus opgepakt en weggevoerd. De meesten hiervan zijn inmiddels overleden.

 

Couperus heeft door alles wat hij op jonge leeftijd heeft meegemaakt geen frustraties overgehouden, doch hij zal het nooit vergeten. “Nu ik ouder word, begin ik wel steeds meer te beseffen in welke angst het thuisfront moet hebben geleefd. Wat hebben mijn ouders en al die anderen veel moeten doormaken, omdat ze niet wisten waar we zaten, met daarbij nog de vraag of ze ons ooit weer terug zouden zien”.

 

Dit is het verhaal van één persoon uit de oorlog en het is zeker niet niet compleet. Er zijn ook dingen gebeurd die men voor zichzelf wil houden en dat is heel begrijpelijk. Uiteindelijk heeft ieder zijn eigen verhaal.

“Het doel van dít verhaal en vele andere verhalen is dat men niet moet vergeten wat zich in de oorlog heeft afgespeeld. Het moet worden doorgegeven”.

 

S. Greidanus.

 

Interview is met toestemming overgenomen van de website www.tsjom.nl

 

 

 

D. VISSER